Over BSG

BRUSSELS STUDENTEN GENOOTSCHAP – geen taal geen vrijheid

Het Brussels studenten genootschap – geen taal geen vrijheid (BSGgtgv of kortweg BSG) is het overkoepelende orgaan van de studentenorganisaties. Het vertegenwoordigt ze tegenover de academische overheid en bevordert een vlotte wederzijdse communicatie. Ook de verdeling van de subsidies verloopt via ons. Daarnaast beheren we verschillende faciliteiten (o.a. de BSG-zaal) ter ondersteuning van de studentenverenigingen.

Onze geschiedenis

Ontstaan van de Vlaamse studentenbeweging aan de Université libre de Bruxelles (1856-1879)

In mei 1856, een maand voor de oprichting van de Grievencommissie, werd aan de Université libre de Bruxelles (ULB) een Vlaamsche Kring gesticht onder de naam Nederduitsch Taalminnend Genootschap Schild en Vriend. Stichters waren onder meer de flamingante filoloog en burgemeesterszoon Alfons Willems en Alfons van Camp (later lid van de in 1858 gestichte Brusselse vrijzinnige vereniging Vlamingen Vooruit en in 1879 kabinetschef van de minister van onderwijs). De studentenkring verschilde niet zoveel van de overige leerlingenbonden en studentengilden die in de periode 1835-1880 ontstonden. De hoedanigheid van de stichter en de naam (“taalminnend”) van het genootschap duiden erop dat deze kring vooral een letterkundige beweging wou zijn. In 1880 werd “de beoefening der Nederlandsche letteren” uitdrukkelijk als doel geformuleerd. De kenspreuk “Schild en Vriend” verwees dan weer naar het romantisch terugblikken naar de eigen geschiedenis, een ander kenmerk van dergelijke verenigingen. Over deze eerste kring is zeer weinig bekend, behalve dan dat hij opvallende parallellen vertoont met het vier jaar eerder opgerichte ‘t Zal wel gaan uit Gent. Beide kringen waren vrijzinnig geïnspireerd en onderhielden nauwe contacten met elkaar. De Brusselse studenten hielpen de leden van ‘t Zal bij het uitgeven van hun blad Noord en Zuid toen dit in 1857 de pauselijke banvloek opliep en namen de uit Gent verbannen Tony Bergmann en zijn broer Georges in hun midden op. Het Genootschap ondernam slechts één politieke actie, namelijk de overhandiging in 1857 van een petitie aan de Kamer over de examencommissies voor notarissen. Daarna verdween de Brusselse kring voor twee decennia uit het zicht, waarschijnlijk waren de leden te veel opgeslorpt door hun activiteiten in Vlamingen Vooruit.

Op 29 november 1877 werd een nieuwe vereniging opgericht: de Vrijzinnige Studentenkring. Deze stimuleerde de Vlaamse cultuur door het inzamelen van boeken, het stichten van een eigen bibliotheek en het organiseren van een aantal voordrachten.

De heroprichting van het Genootschap sloot in feite aan bij een voor de Vlamingen tijdelijk gunstig taalpolitiek klimaat in Brussel, dat een coëxistentie wilde tussen het ‘Vlaams’ en het Frans. Na de slechte verkiezingsuitslagen van 1871 en 1874 hadden de liberalen begrepen dat ze door een anti-Vlaamsgezinde houding een aantal landelijke arrondissementen en steden waren kwijtgespeeld aan de katholieken. In Brussel gingen er bij Franstaligen dan ook stemmen op om meer liberale Vlaamse groepen op te richten; de loge probeerde een strategie uit te werken om de monopolisering van de Vlaamse problematiek door de katholieken tegen te gaan. Op taalpolitiek vlak was de Vrijzinnige Studentenkring niet erg actief. Integendeel, de studenten waren ereleden van de Société Wallonne (en vice versa) en boden in 1879 de Waalse confraters een luisterrijk feest aan met bal, punch en champagne. Er ontstond echter onenigheid over het veelvuldige gebruik van het Frans op de bestuursvergaderingen en de groep viel uiteen.

In deze periode tussen 1856 en circa 1880, toen de V.B. meer romantisch-letterkundig dan politiek was, vonden de studenten nog algemene steun bij sympathiserende Franstalige professoren en bestuurders, die zelf beïnvloed waren door deze romantische ideeën en de roemrijke geschiedenis van de Vlamingen. Pierre-Théodore Verhaegen, medestichter van de ULB, had zich in 1854 in de Kamer reeds lyrisch uitgelaten over zijn moedertaal. Het hoeft dan ook niet te verbazen dat de ‘aanstichter’ van de in 1856 opgerichte studentenkring een professor was: de historicus en filoloog Eugène van Bemmel die een actieve rol in de V.B. speelde. Ook andere professoren zoals J.J. Altmeyer (rector in 1863-1864) en G. Tiberghien (eveneens lid van Vlamingen Vooruit) steunden de studenten in deze beginperiode. In de jaren 1870 hield rector Léon Vanderkindere de studenten de hand boven het hoofd. Vanderkindere, die onder meer middeleeuwse geschiedenis doceerde, had een groot respect voor de Vlaamse cultuur en meende dat het Nederlands opnieuw een cultuurtaal moest worden in plaats van een dialect, getolereerd door de Belgische bestuurders. Hij was eveneens een voorstander van een vernederlandsing van het hoger onderwijs. Professor in de geografie Elisée Reclus steunde dan weer het idee dat de Vlamingen hun rechten moesten veroveren (1879). In deze tweetalige context was van een agressieve politieke anti-franskiljonske houding bij de studenten weinig sprake.

1880-1888: snelle opgang

De nieuwe groep die op 16 december 1880 op het Cantersteen “In den Luchtbal” de Vlaamschen Studentenkring van Brussel (twee jaar later omgedoopt in Vlaamschen Vooruitstrevende Studentenkring Brussel) stichtte, koppelde letterkunde en romantiek aan politieke actie. Haar kenspreuk en tegelijk roepnaam was “Geen Taal Geen Vrijheid” (GTGV). Zij verklaarde dat het Nederlands haar taal was “bij uitsluiting van alle andere” en stak haar strijdbaarheid niet onder stoelen of banken. Haar standpunten werden weergegeven in De Nederlandsche Student dat in januari 1881 voor het eerst verscheen. Het voornaamste programmapunt van de kring was: de aanvaarding van het Nederlands in het Vlaamse land als “eenige officiëele taal van den Staat”. Dit had implicaties op wetgevend, juridisch en uitvoerend gebied. Zo eiste GTGV het gebruik van het Nederlands door alle Vlaamse politieke vertegenwoordigers in de Kamers, provincie- en gemeenteraden; Nederlandstalig onderwijs “van laag tot hoog en in alle vertakkingen” in het Vlaamse land; Vlaamse organisatie en bevelvoering in het leger in het Vlaamse land;

en ten slotte het gebruik van het Nederlands in alle rechterlijke zaken in plaatsen waar dit de volkstaal was (gerecht).

De kring liep in de kijker door de felheid waarmee ze naar buiten trad, door haar taalpolitieke standpunten, haar culturele activiteiten en vooral door het uitlokken van precedenten. GTGV pleitte voor tweetalige opschriften, bankbiljetten, postzegels, muntstukken, stempels, bestuursmededelingen, uitnodigingskaarten, getuigschriften enzovoort. De kring werd openlijk gesteund door Vlaamsgezinde liberale volksvertegenwoordigers zoals Karel Buls, Florimond Kops, V. Arnould en Léon Vanderkindere. Als een echte drukkingsgroep sprak ze meermaals direct de Wetgevende Kamers aan. In 1881 werd gevraagd bij een rechtszaak met een Vlaamse betichte het rekwisitoor in het ‘Vlaams’ te houden, in 1882-1883 werd verzocht om een zo gunstig mogelijke interpretatie van de taalwet in het middelbaar onderwijs, in 1885 vroeg men een tweetalige uitgave van het Belgisch Staatsblad en de toepassing van de taalwet van 1883. Diverse ministers en gemeentebesturen kregen klachtenbrieven van de kring. Een enkele maal boekte GTGV een klein succesje. Zo verplichtte de minister van oorlog na acties van GTGV, een geneesheer van het militair hospitaal die in zijn les had gezegd dat le sujet est un flamand, donc peu intelligent, tot het herroepen van zijn woorden.

Hoe was deze ommezwaai naar politieke actie te verklaren?

Ten eerste hadden de leden van de kring opnieuw een uitgesproken flamingantisch karakter. Onder de twaalf stichters bevonden zich onder meer de arts Julius K. Beving (lid van de Liberale Vlaamsche Bond (Brussel) en later actief in de in 1892 opgerichte Vlaamsche Volkspartij) en Maurits Josson, die een sleutelrol zou spelen in de Vlaamse strijd te Brussel. Bij de bestuursleden trof men in 1886 ook Lodewijk de Veen en Herman Hiel aan die later op politiek vlak belangrijke Brusselse Vlamingen zouden worden. Ten tweede kan de ommezwaai ook gezien worden als een vrijzinnige reactie op de grotere politieke actie van de katholieke studenten (onder meer van Albrecht Rodenbach) in de jaren 1870. Ten derde speelde ook het gewijzigde nationale en Brusselse politieke kader een rol. Door hun stembussuccessen van 1878 en 1880 ebde de Vlaamsgezindheid van veel liberalen weer weg. De regering-Hubert Frère-Orban was notoir anti-Vlaams en bovendien ontstond er in Brussel rond 1880 een wallingantische beweging bij de Franstalige ambtenaren die zich verzetten tegen de taalwet-Jan J. de Laet van 1878. Een aantal liberalen die nauw verbonden waren met de universiteit zoals burgemeester Buls, Vanderkindere, Edmond Picard en Ch. Graux (in 1856 nog stichtend lid van Schild en Vriend), hield wel nog rekening met het tweetalige karakter van de hoofdstad en was de studenten die opkwamen voor de Vlaamse taal gunstig gezind. Deze houding werd hen door collega’s echter niet in dank afgenomen. Vanaf de jaren 1880 werd de sfeer tussen Franstaligen en Nederlandstaligen steeds grimmiger.

In deze context hadden de Brusselse studenten in het begin van de jaren 1880 een zweepslagfunctie. Op het studentenfeest te Luik, in mei 1881, hielden de afgevaardigden redevoeringen in het Nederlands, een precedent gezien de voertaal op een dergelijk feest steevast het Frans was. Bij de stichting van het Verbond der Liberale Studentenmaatschappijen van België (1881) slaagden de Brusselse studenten erin ondanks Waals protest het Verbond, de rechtvaardigheid van sommige Vlaamse eisen, de opname van evenveel Walen als Vlamingen in het bestuur en de tweetaligheid van alle activiteiten te doen erkennen. GTGV trachtte haar impact uit te breiden door het sluiten van een verbond met de studentenvereniging Nut en Vermaak van de Veeartsenijschool van Kuregem. Verder werden ook levendige contacten onderhouden met De Veldbloem, het Willemsfonds, het letterkundig genootschap De Distel en het Gentse ‘t Zal wel gaan. Een verbond met deze laatste studentenvereniging mislukte echter. In 1885 resulteerden contacten met Leuven in de oprichting van het Algemeen Verbond der Vlaamschgezinde

Studenten, dat onder meer een vertoog tot het Hof richtte waarin werd gepleit voor kennis van de Nederlandse taal bij de leden van het vorstenhuis. Het verbond met de Leuvenaars hield echter slechts twee jaar stand.

Het grootste politieke succes van nationale envergure was de landdag der studenten van 1886. Deze dag werd georganiseerd op vraag van het Willemsfonds dat wenste na te gaan in hoeverre de wet op het gebruik van het Nederlands in het middelbaar onderwijs (1883) werd toegepast. Deze wet voorzag de oprichting van een aantal Nederlandstalige cursussen aan Vlaamse middelbare scholen, maar werd in de praktijk — vooral in Brussel — maar met mondjesmaat toegepast. De landdag van 1886 was belangrijk omdat de wet in dat jaar volledig moest zijn uitgevoerd. Indien niet, zou de regering verantwoording aan het parlement afleggen. De studenten verrichtten voorbereidend onderzoek in diverse scholen en kwamen in contact met de Vlaamse leerlingen van de athenea van Brussel en Elsene. Op initiatief van GTGV kwam de Bond van Vlaamse leerlingen van het arrondissement Brussel Help U Zelf tot stand.

GTGV zou tot de eeuwwisseling met wisselend succes een spilfunctie vervullen tussen de studenten van de Brusselse onderwijsinstellingen. De landdag werd een succes en de studenten werden ontvangen door de minister van onderwijs die beloofde zowel hun verslag als de voorstellen van de verschillende sprekers te zullen bestuderen.

Het manifest opkomen voor het ‘Vlaams’ op de eerste plaats (“eerst Vlaming, dan Liberaal” was een van de lijfspreuken), de samenwerking met de katholieke commilitones (wapenbroeders) en de inzet voor de Landdag van 1886 bewijzen dat GTGV zich schaarde achter de basisidee van de Landdagbeweging, die het Vlaamse belang boven partijpolitiek plaatste. Dit standpunt kon in de Franstalige liberale onderwijsomgeving van de Université libre de Bruxelles (ULB) vanaf 1883, toen de Waalse sympathieën in Brussel in volle bloei waren, niet meer zonder gevolgen blijven. De ULB maakte in die periode trouwens enkele spectaculaire ontwikkelingen door. Tot 1875 had de universiteit haar studentenaantal langzaam tot 686 eenheden zien groeien, maar in het decennium daarop kwamen daar ruim duizend studenten bij (1890: 1693 studenten). Hoewel de dertig actieve en nog eens twintig gewone leden van GTGV halfweg de jaren 1880 een beperkte maar actieve en goedgeorganiseerde minderheid vormden, was de instroom van Franstalige studenten groot.

Het vijftigjarige bestaan van de universiteit in 1884 was voor de Franstaligen een ideale aanleiding om zich in diverse studentenkringen te organiseren. Alhoewel de verschillende

studentenverenigingen die aan het jubelfeest meewerkten, overeen waren gekomen voor de organisatie de twee landstalen te gebruiken, werd dit in de praktijk niet uitgevoerd. GTGV nam daarom maar weinig deel aan de feesten en sommige studenten hingen een protestaffiche op in het centrum van de stad. Dit verwekte opschudding en vanaf dat ogenblik probeerden de Waalse studenten de Vlaamse niet te betrekken bij de organisatie van feestelijkheden. Toen de studenten in datzelfde jaar een ad valvas ophingen met kringleuzen als “Die aanhoudt, wint”, “Weg met paap en franskiljon” en daarop een aantal geschriften ten voordele van de Vlaamse gedachte, liet rector E. Yseux de ad valvas verwijderen. Voortaan was het verboden doctrines of verklaringen over politieke principes op te hangen. In 1887 liep een feest ter ere van prorector Rousseau zelfs uit de hand: de Vlaamse zegsman werd door de Franstaligen, die meenden dat de Vlamingen het feest kwamen verstoren, uit de zaal gesleurd en in de discussie die volgde verbanden de Franstalige studenten enkele bestuursleden van GTGV. In de daaropvolgende jaren liepen verbroederingspogingen met de Waalse studenten spaak. De Vlamingen ondervonden steeds meer tegenkanting.

De politieke acties van het begin van de jaren 1880 hadden het universiteitsbestuur doen inzien dat de studenten zich met betrekking tot de ULB zelf niet zouden beperken tot

cultureel-literaire activiteiten. De bovengenoemde wet op de gedeeltelijke vernederlandsing van het officieel middelbaar onderwijs (1883) speelde in de kaart van diegenen die opkwamen voor de vernederlandsing van het universitair onderwijs. In Gent werden de Hoogere Vlaamsche Normaalafdelingen gesticht en in Leuven gingen stemmen op om de wet van 1883 uit te breiden tot de hogescholen. De steun die GTGV betuigde aan de geslaagde landdag van Antwerpen (1885) waarop alle Vlaamse studentenverenigingen de vernederlandsing hadden geëist en de geslaagde organisatie van de landdag in Brussel het jaar daarop, lieten er geen twijfel over bestaan dat de Nederlandstalige studenten ook aan de ULB hun eisen gingen stellen. De vraag om een cursus in het Nederlands te geven liet bijgevolg niet lang op zich wachten. Van oktober 1885 tot juni 1886 probeerde de kring het universiteitsbestuur over te halen een Nederlandstalige leergang in de rechtsterminologie in te richten. Zij verzekerde zich onder meer van de steun van oud-rector Vanderkindere en van het Willemsfonds. Het universiteitsbestuur stond positief tegenover de gedachte en belastte onmiddellijk een hoogleraar met de praktische uitvoering van die taak, maar de cursus vond niet plaats.

Had een brand die de bibliotheek in de as legde en de organisatie van de faculteit rechten in de war stuurde, een spaak in het wiel gestoken? Aangezien er niets gebeurde, herhaalde GTGV haar eis de daaropvolgende jaren. Er werden handtekeningen van studenten verzameld (het ene jaar ruim twintig, het andere in de vijftig) en afvaardigingen naar de rectoren gestuurd. Uiteindelijk gaven de studenten de zaak op. In 1891 startte er evenwel toch een Nederlandstalige cursus, namelijk in Vlaams strafrecht en strafvordering. Dit was zeker geen overwinning van de studenten, maar het gevolg van de taalwet op de academische graden van 10 april 1890. In deze wet stond dat enkel afgestudeerden die een bewijs van het gebruik van het Nederlands konden leveren tot een gerechtelijk ambt konden worden benoemd. Zonder dit bewijs zou de universiteit een belangrijk deel van haar traditionele afzetgebied voor haar afgestudeerden verliezen.

1888-1914: naar het cultuurflamingantisme

Tussen 1888 en 1914 verbleekte de ster van Geen Taal Geen Vrijheid (GTGV) langzaamaan. Tot 1893 waren er een twintigtal werkende en een zestigtal gewone leden en konden de vrijgekomen bestuursfuncties nog worden opgevuld door belangrijke figuren als Lodewijk de Raet (voorzitter in 1890 en 1891), Emile de Veen, Willem Thelen (beiden bestuurslid in 1891) en Gustaaf Schamelhout (1893). Het valt trouwens op dat belangrijke figuren van de V.B. als bijvoorbeeld August Vermeylen en later Herman Teirlinck zich tijdens hun studententijd meer aangetrokken voelden tot serieuze letterkundige verenigingen dan tot GTGV. In het decennium na Schamelhout viel alleen de latere Vlaamse socialist Albéric Deswarte (bestuurslid in 1895-1896) nog op. Het aantal leden liep terug tot twintig. Pas met de komst van Julius Hoste (jr.) (1904-1906), Nico Gunzburg (1905), Hendrik Picard (1906-1907), Leo Picard, Derk Hoek, Frederik C. Gerretson (allen in 1910), Lucien Brulez (1910-1914) en Eugène Cantillon (1912) kreeg de kring weer meer glans en hij telde net voor de Eerste Wereldoorlog opnieuw een veertigtal leden.

Het cultuurflamingantisme, dat reeds embryonaal aanwezig was in de algemeen vormende activiteiten die GTGV op het einde van de jaren 1880 organiseerde, brak onder impuls van De Raet door in de studentenkring. Een eerste belangrijk initiatief had betrekking op het Nederlandstalige onderwijs in Brussel. De universiteit organiseerde vanuit een sociale reflex en omwille van de vrijzinnige uitstraling openbare volksleergangen. GTGV spande zich in om een ‘Vlaamse’ versie in te richten. Al in januari 1886 had ze hiervoor bij de gemeentelijke overheid gepleit, daarbij

de toon aangevend voor de collega’s uit Gent en Leuven die dit soort voorstellen in de volgende jaren zouden navolgen. De politieke situatie was echter ongunstig en ondanks de steun van burgemeester Karel Buls en anderen antwoordde het stadsbestuur eerst dat er geen geld was, vervolgens dat het niet nodig was en ten slotte dat dergelijke leergangen onnuttig waren: “Zij kunnen enkel gevolgd worden door personen die zekeren graad van geleerdheid hebben, waarbij de kennis der Fransche taal natuurlijk gerekend wordt.” Het idee werd echter niet vergeten en toen enkele jaren later het Engelse systeem van de hogeschooluitbreiding overwaaide, was De Raet enthousiast. Hij bestudeerde het fenomeen en weidde er in het tijdschrift De Goedendag over uit. Pas in mei 1895 werd deze theorie in de praktijk omgezet. Van het Hooger Onderwijs voor het Volk vond echter wegens gebrek aan middelen slechts een cursus plaats, waarop een dertigtal mensen aanwezig was.

Vanaf 1904, toen de kring zich liet inspireren door erevoorzitter Vermeylen, namen de cultuurflamingantische activiteiten toe. Vermeylen was in 1902 docent geworden aan de ULB en lag aan de basis van de sectie Germaanse filologie, ingericht vanaf 1910. Samen met Hoste, Gunzburg en anderen hield hij tot 1914 verschillende politieke en literaire lezingen. De activiteiten van de studenten, die steeds meer een studentikoos karakter kregen, bestonden uit het herdenken van Vlaamse dichters, aanleggen van een kringbibliotheek en het organiseren van toneel en zangfeesten. Er was een ernstig en een ludiek luik voorzien. Opvallend maar geheel volgens de lijn van de cultuurflamingantistische strekking was het aanhalen van de banden met de Nederlandse confraters. De predikantszoon Hoek en de bekende historicus en Groot-Neerlandist Gerretson zetelden in 1910 in het bestuur van de kring. Ze hielpen mee een vlugschrift opstellen waarin een Vlaamse universiteit in Brussel werd geëist. In 1914 nodigde voorzitter Brulez de Leidse hoogleraar Gerardus Bolland uit; deze gaf twaalf lessen over de bruikbaarheid van het Nederlands “voor de fijnste schakeeringen van de hoogere aangelegenheden des geestes”.

De betrekkingen met andere Vlaamse studentenkringen werden goed onderhouden maar het Vlaams Onzijdig (later Vrijzinnig) Studentenverbond, gesticht in 1888, verdween in 1897. Hoewel de leden van GTGV vanaf 1891 regelmatig in De Goedendag publiceerden en voor hun acties konden rekenen op Julius Hoste (sr.) die met het in 1888 opgerichte blad Het Laatste Nieuws de studenten steunde, liep hun invloed op het studentenleven in Vlaanderen en Brussel terug. Dit kwam gedeeltelijk door het feit dat er nog nauwelijks politieke actie werd gevoerd, met uitzondering dan van acties rond de Gelijkheidswet van 1897. De harde politieke actie van de jaren 1880 had de kring trouwens geïsoleerd. Gematigde studenten werden afgeschrikt (“wij zijn Vlamingen doch geene vlaminganten, we behoeven dus niet eenen Vlaamschgezinden kring bij te treden”) en het werd steeds moeilijker nieuwe leden te winnen. Geëngageerde studenten interesseerden zich bovendien evenzeer voor de strijd tussen doctrinaire liberalen en radicale progressisten, een strijd die aan de ULB in 1893-1894 een hoogtepunt kende. Om uit het isolement te raken trachtte GTGV in de jaren 1890 de banden met de Waalse kringen te herstellen. Maar op het feest ter ere van het 75-jarige bestaan van de universiteit in 1899 bleef

GTGV weg, omdat de overkoepelende Franstalige Fédération générale des Etudiants de Vlamingen miskende. Deze weinig bemoedigende situatie bracht de studenten ertoe om aan de vooravond van de Eerste Wereldoorlog opnieuw een meer agressieve politiek te gaan voeren. Er werd echter met gelijke munt terugbetaald. Tweetalige brochures die de kring over de Vlaamse kwestie in 1910 en 1913 uitbracht, werden door de Waalse studenten verbrand, affiches afgescheurd. Verschillende hoogleraren (onder meer Maurice Wilmotte) kwamen openlijk uit voor hun afkeer van de Vlamingen. Hierbij mag niet worden vergeten dat het verfransingsproces in Brussel toen in volle gang was. De Vlaams-liberale politieke steun voor de studenten was grotendeels weggevallen: Buls was in 1899 afgetreden en Hoste (jr.) slaagde er niet in de liberale franskiljons te overtuigen aandacht te schenken aan de Vlaamse problematiek. Politieke steun viel enkel te verwachten van flamingante socialisten zoals Deswarte en Camille Huysmans, maar voor de socialisten was de taalproblematiek ondergeschikt aan de sociale.

Van oorlog naar oorlog (1914-1945): crisis

De Université libre de Bruxelles (ULB) sloot tijdens de Eerste Wereldoorlog haar deuren. Geen Taal Geen Vrijheid (GTGV) viel uiteen. Van de leden raakte een enkeling (Lucien Brulez) verstrikt in het activisme, een ander werd krijgsgevangen genomen of sneuvelde als oorlogsvrijwilliger (M. Alofs). De oorlog betekende een volledige breuk met het verleden.

De Brusselse Vlaamse studentenkring op 12 maart 1940 in het Brusselse restaurant La Marie. Pas na 1935 werd onder voorzitterschap van Jan du Four (vierde links) een nieuwe Vlaamse studentenkring ingericht die zichzelf opnieuw Geen Taal Geen Vrijheid noemde. Deze kring ijverde voor de verdubbeling van de cursussen. (archief vub)

Na de oorlog werden Vlaamse eisen als antiloyaal en antinationaal beschouwd en waren ze taboe. Brussel raakte verder verwikkeld in een verfransingsproces, ondersteund door de gemeentelijke overheden. De traditionele politieke bondgenoten van de Vlaamse studenten, de Vlaams-Brusselse liberalen zoals Julius Hoste (jr.), werden binnen hun eigen partij zwaar gedomineerd door Franstaligen. De ULB was een bolwerk van Franstalige liberalen en de sfeer was er anti-Vlaamser dan ooit tevoren. In 1920 organiseerden Franstalige ULB-hoogleraren in de Beurs een meeting tegen de vernederlandsing van de Gentse universiteit. In deze vijandige sfeer hoeft het geen verwondering te wekken dat het Vlaamse studentenleven aan de ULB moeilijk op gang kwam en tot circa 1935 bijna ondergronds leefde. In 1924 werd opnieuw een Vlaamsche Studiegroep opgericht — met onder meer Piet Vermeylen — die een bescheiden bestaan leidde. Vier jaar later moest ze worden heropgericht. Onder voorzitterschap van Willy Weemaes (1929 en 1931) en Willem Verougstraete (1930) wist men circa 40 leden te werven, waarvan er ruim twintig op de vergaderingen aanwezig waren. Op de circa 2500-2900 studenten die de ULB in het begin van de jaren 1930 telde, was dit natuurlijk uiterst beperkt.

Secretaris Rem Reniers getuigde over die periode: “Buiten het feit dat we ons lokaal kregen van de Vlaamse Club, hadden we geen steun, noch materiële, noch morele van niemand of nergens. Alleen tegenkanting: de affiches in de gangen van de univ. werden afgetrokken… Weemaes heeft me eens gezegd: we moeten niet veel doen, het voornaamste is dat er Vlaams studentenleven aan de univ. blijft bestaan. Later kan dit zich uitbreiden en dan zal er geen hiatus bestaan hebben.”

De heropleving kwam er in 1935, in een sterk gewijzigde politieke context. De taalwetten van 1932 inzake bestuurszaken en onderwijs — deze laatste wet stipuleerde onder meer dat de leerlingen van de lagere scholen binnen de Brusselse agglomeratie recht hadden op onderwijs in de eigen taal — staken de Vlaamse studenten een hart onder de riem. Naar aanleiding van die wetten besloot het ULB-bestuur trouwens een zestal cursussen Nederlandse vakterminologie (voor geneeskunde, voor techniek en dergelijke) in te richten. De wet van 1935, die het Nederlandstalige doctoraat in de rechten verplichtte voor de uitoefening van een gerechtelijk ambt in Vlaanderen, leidde tot de instelling van een Nederlandstalig doctoraat in de rechten (de kandidaturen werden pas in 1948 verdubbeld). Onder voorzitterschap van Jan du Four, die dit ambt zou waarnemen tot na de Tweede Wereldoorlog, begon de kring die zich in de wandelgangen opnieuw GTGV noemde, bij ULB-voorzitter Paul Hymans te pleiten voor de verdubbeling van de cursussen en van de faculteit letteren. Du Four was een van de eerste voorzitters waarbij een linkse en Vlaamse visie samengingen. Hij voerde vanuit een afkeer voor fascisme en nazisme onder meer twistgesprekken met de leiders van het Vlaamsch Nationaal Verbond en Rex, waarvan die met Staf de Clercq ophef maakten. Bij het uitbreken van de oorlog vond de Duitse overheid dan ook een Vlaamse studentenkring tegenover zich, die weigerde mee te werken aan de Duitse plannen voor verdubbeling van de universiteit, omdat ze opgedrongen werden door de bezetter.

1945-1969: vertraagde verdubbeling

Na de oorlog viel de verdubbeling van de universiteit nagenoeg stil. Het debat werd opnieuw aangezwengeld door Geen Taal Geen Vrijheid (GTGV), die dat kon doen gezien haar onberispelijke houding tijdens de oorlog. Voor het bestuur van de Université libre de Bruxelles (ULB) bleef het politiek echter onbespreekbaar zodat de studenten die ervoor opkwamen in een geïsoleerde positie stonden. Tijdens de tweede helft van de jaren 1950 veranderde deze situatie. De schoolstrijd laaide weer op en voor de liberalen werd het duidelijk dat in Vlaanderen een vrijzinnige intellectuele elite tot stand moest komen als tegenwicht tegen het homogeen katholiek blok. Van dan af werd de verdubbeling van de cursussen zelfs gepropageerd door een aantal Franstalige professoren. Bovendien wou het universiteitsbestuur de voor de jaren 1960 voorspelde sterke stijging van het aantal studenten zeker niet missen. De Vlaamse studenten vonden bovendien gehoor bij de rectoren Henri Janne (1956-1959) en W. de Keyser (1959-1962), die de Vlamingen gunstig gezind waren.

Geen Taal Geen Vrijheid werd niet gecompromitteerd door de Tweede Wereldoorlog en kon haar activiteiten onmiddellijk na 1945 weer ontplooien. Pas binnen de context van de schoolstrijd zouden de eisen van de kring gehoor krijgen. Het streven naar de ontwikkeling van een Vlaamse vrijzinnige elite werd toen zelfs gesteund door enkele Franstalige professoren. (amvc)

In 1955 begon men met de verdubbeling van de faculteit letteren en wijsbegeerte en in 1957 volgde de faculteit politieke en sociale wetenschappen. Naar aanleiding van het honderdjarige bestaan van de Vlaams-Brusselse studentenkring in 1956 organiseerden de studenten een aantal festiviteiten en werd de Oudstudentenbond (OSB) opgericht. Het bestuur bestond uit persoonlijkheden die vanaf de jaren 1930 het Vlaamse ideeëngoed hadden uitgedragen (onder anderen Willem Verougstraete). Bovendien was op 21 december 1955 de Vereniging voor Nederlands Vrijzinnig Hoger Onderwijs (VNVHO), met belangrijke personaliteiten zoals onder meer J. Bracops, Raymond Brulez, Hendrik Fayat, A. Lilar, Maurits Naessens, Omer Vanaudenhove, Herman Vanderpoorten, Piet Vermeylen enzovoort, ontstaan. Zowel OSB als VNVHO werd een belangrijke drukkingsgroep en steunden de Vlaamse studentenbeweging.

Vanaf die periode kwamen de voorzitters van GTGV, dat ondertussen was omgedoopt tot Brussels Studentengenootschap (BSG), op de jaarlijkse Sint-Verhaegenviering systematisch op voor het Nederlandstalig vrijzinnig hoger onderwijs.

Positieve resultaten konden in deze gunstige omstandigheden niet uitblijven. De eerste verdubbelingen werden gezien als tegemoetkomingen aan de eis voor volledige verdubbeling van de cursussen. Er werd getriomfeerd toen de pleidooien voor Nederlandstalige studentenkaarten en bibliotheekinschrijvingen het haalden. De studenten bewezen dat er aan de ULB inderdaad een Vlaamse intellectuele elite opgroeide door het organiseren van de Vlaamse Interuniversitaire Rechtscongressen, die door de universitaire gemeenschap wetenschappelijk hoog werden aangeslagen. Hun inzet kwam ook de groei van de universiteit ten goede: aan het einde van de jaren 1950 verschenen de eerste brochures Studeer in het Nederlands aan de Vrije Universiteit te Brussel, gesponsord door OSB en VNVHO en verdeeld door de oud-studenten en studenten in de middelbare scholen. Door hun betrokkenheid bij deze actie werden de studenten veeleisender. In december 1959 richtten zij — onder voorzitterschap van Willy Claes — een paritaire commissie voor de ontdubbeling der cursussen op. Deze commissie stelde dat de universitaire overheid een versnelling van het verdubbelingstempo moest nastreven, dat de professoren van de Nederlandstalige afdelingen ook behoorlijk Nederlands moesten spreken en dat de universiteit zich in haar betrekkingen met het publiek en met de studenten moest gedragen als een tweetalige universiteit. Dit laatste was nieuw en stond niet zo ver meer af van de vraag om een verdubbelde structuur, wat veel verder ging dan alleen maar de verdubbeling van de cursussen.

In het begin van de jaren 1960 veranderde de politieke situatie. De schoolstrijd was even geluwd en bijgevolg werd de nood aan een Vlaamse vrijzinnige elite minder aangevoeld. Het debat rond de taalgrens brak los en de publieke opinie was enorm gevoelig (ook aan Franstalige zijde!) voor de taalkwestie. Met het aantreden van rector M. Leroy (1962-1965) veranderde ook de politiek van het universiteitsbestuur. Leroy liet geen gelegenheid voorbijgaan om te verklaren dat de ULB weliswaar Nederlandstalige cursussen inrichtte, maar dat het hart en karakter van de instelling Franstalig zouden blijven. Dit was voor de Vlaams-Brusselse studenten, die moeite deden Nederlandstalige scholieren naar de universiteit te halen, op zijn zachtst gezegd behoorlijk gênant. Het optreden van de rector was overigens een aanfluiting van de geest van de taalwetten van 1960, die bepaalden dat de universiteit hogere subsidies moest krijgen ter financiering van de verdubbelingsinspanningen. De standpunten van Leroy werkten radicaliserend en de Vlamingen vormden front. Het BSG kreeg steun van het VNVHO en het OSB,

waarvan voorzitter Frans de Pauw in 1963 stelde dat de groeiende staatssubsidies een volledige verdubbeling mogelijk maakten. De Vlaamse ULB’ers — ondertussen versterkt met de in 1964 opgerichte Vereniging van Vlaamse Professoren (VVP) — vroegen de staat in de daaropvolgende jaren een boekhoudkundige controle op de ULB uit te oefenen teneinde duidelijkheid te krijgen over de mate waarin de staatssubsidies voor de verdubbeling werden aangewend. De memorie van toelichting op de wet-Renaat van Elslande-Henri Janne op de financiering van de universiteiten (de sympathiserende rector was ondertussen minister van onderwijs geworden) van april 1965 voorzag een dergelijke controle. Deze bleef echter een dode letter.

In deze context is het zeer begrijpelijk dat de Vlaamse studenten bij het begin van de ambtstermijn van rector Homès (1965-1968), die Leroy opvolgde, aandrongen op een positief standpunt over de verdubbeling. Maar toen dit op de openingszitting uitbleef verlieten de studenten ostentatief de zaal en ruim een maand later — op de Sint-Verhaegenviering — formuleerde de voorzitter van BSG zeer zware kritiek op de gevoerde universitaire politiek. Deze kritiek verwekte consternatie aan de universiteit zelf, haalde de pers en lokte politieke echoes uit. De studenten gingen over tot de oprichting van een Aktiekomitee voor Brussel en planden begin 1966 een staking. Op dat ogenblik verklaarde rector Homès in Het Laatste Nieuws echter dat de universiteit de faculteit toegepaste wetenschappen zou verdubbelen. Dit betekende een kentering in de op dat ogenblik gevreesde beleidslijn en een gebaar van goede wil van de rector.

De studenten schortten hun acties op maar bleven de structurele verdubbeling eisen: 2 vice-rectoren, de aanpassing van de samenstelling van de raad van beheer aan de realiteit van de verdubbeling en splitsing van de subsidies. Toen in mei 1966 in Leuven de bom barstte (Leuven Vlaams), waren er dus in Brussel reeds uitgebreide schermutselingen tussen het universiteitsbestuur en de studenten. Dit toont aan dat beide vernederlandsingsbewegingen tamelijk simultaan verliepen. Evenals in Leuven trouwens schatte het universiteitsbestuur de ernst van de problemen fout in en slaagde ze er daardoor niet in een oplossing te vinden.

De spanningen tussen Walen en Vlamingen aan de ULB namen zienderogen toe. De Etudiants FDF (Front démocratique des Francophones) werd opgericht en in januari 1967 beletten de Franstalige studenten op de algemene vergadering van het BSG de verantwoordelijken te spreken. Zij scandeerden “Keer terug naar uw dorp” (een slogan die ook door Franstalige tegendemonstranten bij de Marsen op Brussel in 1962 werd gebruikt). Een jaar later beletten de FDF-militanten de uitgenodigde Leuvense studentenleider Paul Goossens het spreken en sloegen ze een informatievergadering voor Vlaamse studenten uiteen.

Rector Homès probeerde intussen een oplossing te vinden en kwam met het concept van de université unitaire bilingue, dat een volledig Nederlandstalig cursusaanbod en een betere integratie van de Vlamingen voorzag. Op de openingszitting van 1967-1968 verliet nu een aantal Franstalige studenten de zaal. Zij wilden het behoud van het francofone karakter van de ULB. Ook de Nederlandstalige studenten zagen geen heil in de oplossing en bleven weg op de Sint-Verhaegenviering. In december nam het BSG-bureau, samen met de andere Vlaamse verenigingen, een gemeenschappelijk standpunt in om de structurele tweetaligheid te bekomen. Deze decemberverklaring leidde tot verdeeldheid onder de Vlaamse studenten. Het BSG-bureau had op aandringen van de andere Vlaamse drukkingsgroepen de verklaring ondertekend zonder overleg te plegen met de achterban. Enkele kringen meenden dat BSG te ver was gegaan in haar Vlaamse standpunten en dreigde uit te treden, terwijl andere het bureau zijn dictatoriale houding verweten. De toenemende mentaliteit van contestatie, die op dat moment tot rijpheid kwam, bestond kennelijk ook binnen de eigen gelederen.

Hoewel de Vlaamse studentenkringen in deze periode verschillende persmededelingen en memoranda over de verdubbeling uitgaven, verloren zij in dat jaar het initiatief aan andere niet-studentengroepen, zoals de VVP, het VNVHO enzovoort. Dit was te wijten aan de hierboven geschetste interne verdeeldheid onder de studentenkringen, aan de veel sterkere organisatorische basis van de VVP en het VNVHO en aan de verschuiving in de belangstelling van veel studenten naar de democratisering van de structuren van de universiteit (in de geest van de contestatie).

De contestatiebeweging bij de Vlamingen op de ULB had trouwens invloed op de V.B. en was in sterke mate bepalend voor de houding van de studenten na het ontstaan van de zelfstandige Vrije Universiteit Brussel (VUB). Ze vond haar oorsprong in de studiekring Vrij Onderzoek (VO) — de tegenhanger van de Franstalige Cercle du Libre Examen — die in 1949 in de schoot van GTGV was opgericht. Zij bestudeerde allerlei maatschappelijke problemen in verband met de vrijzinnigheid. In 1963-1964, onder het voorzitterschap van Sylvain Keuleers, maakte de kring een ruk naar links. Het accent van de activiteiten kwam sterk op sociaal en breed maatschappelijk engagement te liggen, wat de aanhang bij de studenten vergrootte. Deze kritische tendens zette zich onder Hugo de Schampheleire in 1966-1967 door. Thematische seminariecycli moesten, als tegenhanger van de cursussen, een Kritische Universiteit creëren. Het bestuur van VO was in de grond meer geïnteresseerd in vrijzinnigheid en de democratisering van de structuren van de universiteit en van het onderwijs, dan in de taalpolitiek. In 1966 verweet de kring het BSG dan ook de knecht te zijn van Leuven, omdat het BSG in de Vereniging van Vlaamse Studenten de Leuvenaars in hun strijd steunde. Een oplossing voor de Leuvense kwestie zou enkel de katholieke zuil hernieuwen en versterken! Bovendien was VO zeer beducht voor extreem-rechts en alles wat daar ook maar enigszins naar zou kunnen verwijzen. De progressieve Vlaams-Brusselse studenten wilden in de jaren dat het FDF in Brussel de V.B. afschilderde als erfgenaam van de collaboratie, elke mogelijke identificatie daarmee vermijden.

Typerend daarvoor waren de onderhandelingen van VO met de rector in 1966, om te voorkomen dat de Etudiants FDF en de Vlaams-Nationale Studentenunie (VNSU), beschouwd als ‘rechts’-nationalistische studentenkringen, erkend zouden worden. Maar op momenten van treffen tussen Vlamingen en Walen was VO geschokt door de onverdraagzaamheid van de Franstalige militanten en klaagde ze het ondemocratisch en agressief optreden aan. De kring ergerde zich aan het gebrek aan respect (de trage verdubbeling, de weigering inzage te geven over de verdeling van de kredieten) van de Franstalige gemeenschap voor de Nederlandstaligen en beschouwde dit als onverdraagzaamheid en dus als een inbreuk op het principe van het Vrij Onderzoek. Deze feiten tonen aan dat VO een belangrijke rol speelde bij de voorbereiding van de contestatie en dat zij — hoewel in mindere mate — Vlaams-progressief was. Paradoxaal genoeg voer de studiekring in 1967-1968, toen de andere studenten actief bezig waren met de contestatie, eerder uitzonderlijk een meer Vlaams-nationale koers, dit onder invloed van voorzitter Mark Vermeulen.

Bij de contesterenden was overigens wel plaats voor Vlaamse eisen. In de bezette gebouwen hingen de spandoeken van Vlamingen en Walen, die zelfbestuur en democatisering van het onderwijs wensten, broederlijk naast elkaar. De contesterende Vlamingen maakten voor de Franstaligen overduidelijk geen deel uit van rechts-nationalistische groeperingen en hun rechten werden in die context gemakkelijk erkend. Naar Frans voorbeeld werden “vrije vergaderingen” georganiseerd. Op 22 mei 1968 besloot de vrije vergadering het gezag van de raad van bestuur niet meer te erkennen. Een week later organiseerden het BSG en de VVP-Brussel (onder leiding van Aloïs Gerlo) de eerste Vlaamse vrije vergadering. Eind mei lekte bovendien de verklaring van rector Homès, waarin hij stelde dat de unitaire structuur niet meer leefbaar was, uit. Het VNVHO stelde daarop voor een democratisch Coördinatiecomité voor de Nederlandstalige Universitaire Gemeenschap (CONUG) te stichten, dat zou opkomen voor de Vlaamse belangen en waarin ook de studenten vertegenwoordigd zouden zijn. Binnen het CONUG ontbrandde algauw een strijd tussen het VNVHO en de VVP, die streden voor de Vlaamse universiteit en de studentenverenigingen die opkwamen voor democratische structuren en groepspariteit binnen de raad van bestuur. Uiteindelijk werd het pleit beslecht door de eersten die via de politieke fracties in het parlement en onderhandelingen met het bestuur van de universiteit geen verdubbelde ULB, maar wel de oprichting van een autonome Vlaamse universiteit konden doordrukken.

Na de splitsing (1969-heden)

De Nederlandstalige Vrije Universiteit Brussel (VUB) ontstond met de erkenning van rechtspersoonlijkheid in mei 1970 (terugwerkend tot 1 oktober 1969). Incidenteel vonden er in 1970 en 1971 nog anti-Vlaamse manifestaties op de campus van de Université libre de Bruxelles (ULB) plaats; ze lokten reacties uit bij het Brussels Studentengenootschap (BSG) en Vrij Onderzoek (VO), maar met de verhuizing naar de campus Oefenplein in het vooruitzicht was er fundamenteel geen reden meer voor de studenten, die zichzelf zagen als progressieve Vlamingen, om te strijden voor een Vlaamse universiteit. Dat doel was verwezenlijkt. Dit wil niet zeggen dat de studenten de V.B. volledig vergaten. Het BSG voerde in de jaren 1970 een politiek van “bewuste Vlaamsgezindheid (= verdediging van Vlaamse belangen in Brabant)” zonder zich te willen laten verleiden tot “overdreven nationalisme”.

Het BSG nam nieuwe statuten aan en erkende in 1971-1972 reeds 22 kringen, terwijl dat er onder de oude ULB-structuur slechts een handvol was. Aan de erkenning van de

Vlaams-Nationale Studentenunie (VNSU) (1971) ging een lange discussie vooraf, maar zij kreeg wel bestaansrecht, hetgeen onder de ULB niet het geval was.

Daarnaast bleef de contestatiementaliteit nog lang doorwerken. Voor veel studenten, aangevoerd door de kring Vrij Onderzoek, was de strijd voor democratische beheersstructuren belangrijker dan de ‘Vlaamse zaak’. De studentenvertegenwoordigers waren meestal van linkse signatuur en bijzonder alert ten opzichte van extreem-rechtse en fascistische ideeën; het Vlaams extremisme vond in hun ogen geen genade. Het VNSU leidde in de jaren 1970, bij gebrek aan leden, een onregelmatig bestaan. Toen er in 1978 pamfletten van de Vlaamse Militanten Orde op de campus werden uitgedeeld en het VNSU een Zuid-Afrika-avond organiseerde waarbij de stellingen van de pro-apartheidsorganisatie Protea aan bod kwamen, nam de raad van bestuur van de VUB op aandringen van de studentengroepen een motie aan, waarin zij verklaarde dat de beginselen van Protea strijdig waren met het principe van Vrij Onderzoek.

De zaak liep uit op een schorsing van de erkenning van het VNSU, dat in het begin van de jaren 1980 verdween. De kring werd opgevolgd door Volksunie-Jongeren (VUJO). Ondertussen scheidde het veel extremere Vlaams Blok (VB) zich in 1979 af van de Volksunie (VU). De met het VB sympathiserende studentenkring, de Nationalistische Studentenvereniging (NSV), kreeg geen voet aan de grond op de VUB. Daarom brachten leden van het NSV van andere universiteiten de universiteit jaarlijks een bezoek en raakten soms slaags met vertegenwoordigers van BSG en VO.

De activiteiten waarmee de studentenkringen tussen 1970 en 1990 naar buiten traden, hadden een zekere invloed op de taalsituatie in de hoofdstad. Ten eerste gingen veel studenten rond het Oefenplein wonen, waardoor het Nederlands daar langzaam werd aanvaard. Hetzelfde gold in mindere mate voor de overige Brusselse gemeenten, waar verschillende pas afgestudeerden neerstreken. In het centrum van de stad ontstond daardoor een verjongd cultureel en uitgaansleven. Ten tweede trok een aantal studentenactiviteiten ook studenten van andere Vlaams-Brusselse hogescholen naar de campussen, waardoor er meer contact was tussen Vlaamse jongeren die in het Brusselse leefden. Ook de recentere politieke regelingen die gebaseerd zijn op het respect voor de cultuurgemeenschappen, hebben een positief effect; zij stimuleren het Vlaamse studentenleven.

Literatuur: 

  • Rapport sur l’année académique, diverse jaren;
  • L. Lindemans Het vraagstuk Brussel uit Vlaams oogpunt, z.j.;
  • Goblet d’Alviella, L’Université de Bruxelles pendant son troisième quart de siècle, 1909;
  • E. Gubin, Bruxelles au 19e siècle: berceau d’un flamingantisme démocratique (1840-1873), 1979;
  • H. van Velthoven, De Vlaamse kwestie 1830-1914: macht en onmacht van de Vlaamsgezinden, 1982;
  • L. Sieben, De Vlaamse Beweging en de strijd om Brussel na de eerste wereldoorlog: 1918-1926, VUB, onuitgegeven licentiaatsverhandeling, 1984;
  • A. Uyttebrouck en A. Despy-Meyer, Les cent cinquante ans de l’Université Libre de Bruxelles (1834-1984), 1984;
  • L. Vos, M. Derez, I. Depraetere en W. van der Steen, Studentenprotest in de jaren zestig. De stoute jaren, 1988;
  • Taal en Sociale Integratie, 13 dln., 1978-1989;
  • N. Mondelaers en F. Scheelings, Universiteit en maatschappij. 25 jaar VUB, 1995;
  • E. Witte en J. Tyssens (ed.), De Tuin van Akademos. Studies naar aanleiding van de vijfentwintigste verjaardag van de Vrije Universiteit Brussel, 1995.

auteur: Frank Scheelings